Geschiedenis

Geschiedenis van deelgemeente Nazareth

Vanaf de elfde eeuw werd het graafschap Vlaanderen ingedeeld in kasselrijen. Deze kasselrijen bestuurden delen van het land administratief en gerechtelijk. De heerlijkheid Nazareth ressorteerde onder drie kasselrijen: de kasselrij Kortrijk, de kasselrij ‘de Stenen Man’ van Oudenaarde en de kasselrij van de Oudburg in Gent. (*)

Van der Zickele

In het midden van de veertiende eeuw was Jan van der Zickele heer van Nazareth. Dit hield in dat de graaf van Vlaanderen een deel van zijn macht en rechten ‘leende’ aan zijn vazal. Jan van der Zickele had met dit leen beperkte juridische macht over de heerlijkheid Nazareth (middele justitie).
Het is niet 100 % duidelijk wat de grenzen van de heerlijkheid Nazareth toen waren. Wel staat vast dat de graaf in 1359 twee hofsteden aan de heerlijkheid toevoegde: het goed te Poldere (in De Pinte) en het hof te Maaigem of van der Zichele (in Nazareth).
Ook schonk de graaf een tweede leen aan Jan van der Zickele, met name een rechtsmacht (hoge justitie). Dit leen werd het ‘hoog heerschip’ of ‘schoutendom’ genoemd. Van der Zickele liet de functie van schout uitoefenen door een ambtenaar. Die droeg de titel van schout of baljuw, maar vertegenwoordigde eigenlijk alleen zijn ‘heer’, die de echte schout was.
Al deze rechten werden ‘ten eeuwigen dage’ verleend aan van der Zickele en zijn erfgenamen. Deze familie speelde op het einde van de Middeleeuwen een belangrijke rol in de geschiedenis van de stad Gent. Zij vervulden er functies als ontvanger-boekhouder, schepen en prelaat van de Sint-Baafsabdij.

Van Rockolfing

Jacob van der Zickele was de laatste telg van de familie die heer (en schout) van Nazareth was. Bij zijn overlijden in 1520 werd een van zijn dochters, Philipote van der Zickele, ‘Mevrouwe van Nazareth’.
Uit haar huwelijk met Philip De Gruutere werd Philipote de Gruutere geboren, die het schoutendom Nazareth erfde. Zij trouwde eerst met Philip Van Coudenhove en na diens dood met Jacob van den Nesse, kamerheer van Filips II. Jacob van den Nesse was geen rechtstreekse erfgenaam, maar kon de juridische macht voor 30 jaar lang kopen van Filips II. Jacobs zoon, Jan van den Nesse, verkocht zijn heerschap over Nazareth aan de Gentse bisschop Damant en na diens dood gingen de heerlijke rechten over op diens neef Justus Damant.
Lodewijk van Rockolfing, een edelman van Hongaarse afkomst, beriep zich op familiebanden om in 1682 de nieuwe heer van Nazareth te worden. Hij was namelijk de kleinzoon van Franciska van der Zickele (de zus van Philipote), die gehuwd was met Georges van Rockolfing.
De familie van Rockolfing bleef heer van Nazareth tot in 1795. De annexatie van de Zuidelijke Nederlanden bij de Franse republiek stelde een einde aan de bestuurlijke indeling van het Ancien Régime. Het oostelijke deel van graafschap Vlaanderen werd samen met Zeeuws-Vlaanderen het ‘departement van de Schelde’.
Lodewijk Emmanuel van Rockolfing was wegens zijn adellijke stand niet geschikt om burgemeester te worden en daarom werd Nicolaas Spillebout in 1800 burgemeester. Toen hij vijf jaar later overleed, was het nieuwe regime onder Napoleon minder streng en werd Lodewijk Karel van Rockolfing, zoon van Emmanuel burgemeester van Nazareth, maar dan als gewone citoyen die zijn adellijke ‘van’ liet vallen.
Onder de Hollandse bezetting (1814) werd het Scheldedepartement omgevormd naar de huidige provincie Oost-Vlaanderen en het Nederlandse Zeeuws-Vlaanderen. Notaris Cornil Bekaert was toen 18 jaar lang burgemeester in Nazareth. Daarna keerde baron Lodewijk Karel van Rockolfing terug en hij bleef burgemeester tot aan zijn dood in 1860.

De Volkaersbeke

Zijn dochter Eugenie-Amelie huwde met Philip August Kervyn de Volkaersbeke. Hierdoor gingen alle bezittingen en het archief van de heerlijkheid Nazareth over naar de familie Kervyn de Volkaersbeke, die gedurende enkele generaties de burgemeestersfunctie kon waarnemen.

De Pinte en Eke

De wijk De Pinte - die tijdens het Ancien Régime niet volledig onder de bevoegdheid van de graaf van Vlaanderen ressorteerde, maar gedeeltelijk beheerd werd door de Gentse Sint-Pietersabdij - werd in 1868 een afzonderlijke gemeente.
Sinds de fusie van 1 januari 1977 is Eke een deelgemeente van de gemeente Nazareth.

De naam "Nazareth"

De spelling 'Nazareth' vinden we al terug in een tekst van 1259. In een tekst van 1381 lezen wij 'Nazaret', in 1393 'Nasaret' en in 1572 'Nazarette'.

De naam Nazareth is waarschijnlijk ontleend aan de bijbelse geschiedenis. Toch lezen wij in een artikel van A.Cassiman 'Waar ligt Scheldevelde?' dat Nazareth een  verschrijving zou kunnen zijn van 'magherhet' of 'magere heide'. Dit is nochtans minder waarschijnlijk, omdat kort na de oprichting van de parochie Nazareth de naam al opdook in oude documenten en omdat vóór die tijd alleen maar 'Scheldeveld' als gebiedsnaam voorkwam.

Magherhet lijkt eerder een verschrijving van Margaretha (van Constantinopel) die precies in de 13e eeuw begon met de streek te verkavelen en te vercijnzen. Er bestond zelfs een hoeve 'Goed te Magherhetten, geleghen in de prochie van Nazarette'.

Nazareth is nu de enige gemeente in België die deze naam draagt, hoewel hij her en der ook als wijkbenaming voorkomt.

(*) Kasselrijen
•    De kasselrij Kortrijk beheerde slechts een kleine 'splete'. Ze werd begrensd door de huidige straten Klapstraat (vanaf de grens met Deurle) tot aan de Kortrijkseheerweg, en zo tot aan de Kijkuitstraat (grens met het vroegere Astene).
•    De kasselrij 'de Stenen Man' van Oudenaarde werd begrensd door de Langedreef tot aan de Dennenbosdreef, de Groenstraat tot aan de Krekelmuit en zo langs de Oudenaardseheerweg naar het Beirhof. Daar liep de grens niet meer langs de huidige straten maar door de velden langs Turkeienhoek naar Eke.
•    De kasselrij van de Oudburg in Gent bestuurde de rest van het grondgebied, richting Gent.

Geschiedenis van deelgemeente Eke

Verscheidene toevallige vondsten uit de Gallo-Romeinse periode, zoals urnen en kledingsieraden, wijzen erop dat Eke een van de eerste bewoonde plaatsen in Vlaanderen was. De eerste documenten die over het bestaan van de gemeente spreken, dateren van 737.
De heerlijkheid Eke bestond uit drie lenen. Het hoofdleen, met name het kasteel en de afhankelijke goederen, waren onderhorig aan de Kasselrij van Oudburg. De twee andere lenen waren respectievelijk onderhorig aan het leenhof Dendermonde en aan de heerlijkheid Aishove van Kruishoutem.
Deze drie lenen waren afhankelijk van dezelfde heer, baljuw, vierschaar en 7 schepenen. De heer van Eke bezat naast de volledige rechtspraak in de drie justitieraden, talrijke andere rechten in dit gebied.
Vele geslachten hebben elkaar opgevolgd aan het hoofd van de heerlijkheid, zoals van Gavere (13e eeuw), van Maldegem, van Massegem, Notax (14e eeuw), van Mortaigne (15e eeuw), de Scheppere, van Coorenhuuse (16e en 17d eeuw), de Bernage, de Wismael de Fallerand( 17e eeuw), van Edinge, d' Ennetières en van Lichtervelde (18e eeuw).
Tot in de middeleeuwen kende de geschiedenis van Eke weinig of geen grote gebeurtenissen. Maar vanaf 1566 hadden er verschillende bijeenkomsten van de Calvinisten plaats, die een groot succes kenden bij de inwoners van Eke en in de randgemeenten, hoewel de heer van Eke de kant van Koning Filips II gekozen had en de Spaanse troepenmacht aanvoerde tegen de hervormers. De Gentenaars aanvaardden deze sympathie van de heer voor de koning niet en reageerden door in 1578 en 1579 de kerk te plunderen en het kasteel van de heer in brand te steken. In 1580 werd de bevolking opnieuw getroffen door plundering, wanneer de Gentenaars op de vlucht werden gedreven door de Walen en door Eke en Nazareth trokken.
Een eeuw later tijdens de 17e eeuw en in 1708 leed de bevolking dan weer onder de invallen van Franse soldaten. En verschillende grote overstromingen van de Schelde hebben de ellende van de getroffen bevolking nog vermeerderd.
Op 1 januari 1977 fusioneerde Eke met de gemeente Nazareth.

De naam "Eke"

De schrijfwijze van de naam Eke kende verschillende vormen: Eca, Heke, Eeke, Eke. Etymologisch is de naam te verklaren als een afleiding van het Germaanse woord aikja, aik, of eik, wat zoveel betekent als ‘een plaats in de omgeving van een eikenbos’.